De kracht van de gemeenschap: een inleiding

In dit boek zijn zowel meer filosofische en beschouwende bijdragen te vinden als concrete voorbeelden van de praktijk van nieuwe gemeenschappen. Samen vormen zij een interessant palet aan beschouwingen over de kracht van ‘communities’, met onderlinge raakvlakken maar ook met verschillende visies op wat in Nederland de ‘participatiesamenleving’ wordt genoemd.

Dit is de sterk ingekorte inleiding door redacteur Nicolette van Gestel op de bundel 'De kracht van de gemeenschap'. Het is de eerste aflevering van de nieuwe jaargang 103 van de Annalen van het Thijmgenootschap. Leden van het Thijmgenootschap hebben het boek thuisgestuurd gekregen. Klik op de afbeelding om het te bestellen.

In de vorige eeuw opereerden burgers lange tijd in sterke sociale verbanden, zoals lokale gemeenschappen, de kerk, de vakbond of een politieke partij. Intussen is er veel veranderd in de samenleving en zijn traditionele gemeenschappen aan erosie onderhevig

In de huidige tijd bestaat er steeds meer nadruk op overheidstoezicht, controle en handhaving, terwijl tegelijk een toenemend beroep wordt gedaan op de individuele verantwoordelijkheid van burgers. De discussie over de samenleving lijkt daarmee te worden versmald tot de verhouding tussen staat en individu. De vraag hoe mensen zich onderling organiseren in ‘gemeenschappen’ is steeds meer een blinde vlek in dit debat.

Nicolette van Gestel, lid WR ThijmgenootschapOok in de huidige tijd is er alle reden om ons bezig te houden met de kracht van mensen en organisaties om elkaar te versterken. Het begrip gemeenschap omvat inmiddels een divers scala aan initiatieven. Enerzijds zijn er nog steeds de traditionele gemeenschappen, zoals de vakbonden, de kerken en de politieke partijen, die een taai gevecht voeren om te overleven en zich daarbij voor de taak gesteld zien zichzelf te vernieuwen. Anderzijds zien we een sterke opkomst van nieuwe gemeenschappen, mede mogelijk gemaakt door ICT en sociale media.

In dit boek zijn zowel meer filosofische en beschouwende bijdragen te vinden als concrete voorbeelden van de praktijk van nieuwe gemeenschappen. Samen vormen zij een interessant palet aan beschouwingen over de kracht van ‘communities’, met onderlinge raakvlakken maar ook met verschillende visies op wat in Nederland de ‘participatiesamenleving’ wordt genoemd.

Recensie uit VolZin, juni 2015

Gabriël van den Brink gaat in op de herkomst en de historische ontwikkeling van gemeenschappen. Hij laat zien dat de kracht van gemeenschappen afhangt van de kwaliteit van persoonlijke relaties, de motivatie en idealen van deelnemers, de associatie van mensen met gemeenschappen op verschillende schaalniveaus en het type organisatie dat een collectief initiatief ondersteunt. Binnen deze ‘contingente mix’ vormen mensen door de tijd heen niet alleen gemeenschappen uit welbegrepen eigenbelang, maar ook uit morele overwegingen. Die morele overwegingen onderscheiden ons overigens minder van de dieren dan we vaak denken. Maar behalve op coöperatie zijn mensen, net als dieren, ook op competitie gericht. Van den Brink eindigt met kritiek op de participatiesamenleving als die ‘van bovenaf’ wordt opgelegd. Hij verwacht dat dit de motivatie voor coöperatie bedreigt, terwijl het de competitie en ongelijkheid in de samenleving eerder zal versterken.

Hans Goslinga ziet de kracht van een nationale gemeenschap gelegen in de ruimte voor verscheidenheid. Verschillende (etnische en culturele) gemeenschappen moeten hun eigen waarden kunnen koesteren, zolang vrijheid, tolerantie en overleg de gedeelde waarden vormen. Hij refereert aan het werk van Huizinga om te benadrukken dat begrip van en respect voor verschillen binnen een nationale gemeenschap juist de voorwaarden vormen om een samenleving bijeen te houden. Niettemin zijn er grote spanningen over de vraag hoe individuele vrijheid zich verhoudt tot de vrijheid van groepen om hun leven volgens (religieus) bepaalde leefregels in te richten. De aloude kunst in Nederland om met verschillen om te gaan in redelijkheid en gematigdheid ziet Goslinga in het voetspoor van Huizinga als noodzakelijk voor een krachtig voortbestaan van de Nederlandse gemeenschap.

Lenie Scholten doet in haar bijdrage verslag van haar ervaringen als wethouder in Eindhoven met een nieuwe aanpak in zorg en welzijn onder de noemer wij eindhoven. De inspiratie voor het zoeken naar een nieuwe verhouding tussen lokale overheid en burgers ontstond vanuit het besef dat de gemeente faalde in haar zorgbeleid. Scholten laat zien welke ‘mismatch’ bestond tussen het gemeentelijk beleid en de behoeften aan ondersteuning van (groepen) burgers en beschrijft de eerste ervaringen met WIJeindhoven. Tegelijk geven vele burgerinitiatieven in de stad op hun eigen wijze inhoud aan een participatiesamenleving, op basis van eigenbelang en een dosis altruïsme. Zij willen niet door de gemeente ‘geregisseerd’ worden, maar wel in goed overleg samenwerken. Uit de bijdrage van Scholten blijkt dat een ‘participatiesamenleving’ niet alleen van burgers, maar ook van bestuurders, ambtenaren en professionals nieuwe rollen vraagt.

Zoals Paul van Geest duidelijk maakt in zijn bijdrage over subsidiariteit en decentralisatie, bestaat er al een lange traditie in het denken over de ruimte die gemeenschappen moeten hebben om zichzelf te organiseren, in relatieve vrijheid ten opzichte van gezag op hogere niveaus. De bijdrage van Van Geest beschrijft de denkbeelden van Augustinus over subsidiariteit en de uitwerking van het subsidiariteitsprincipe in de katholieke sociale leer. Op basis hiervan stelt Van Geest dat de huidige decentralisatie-operaties vanuit de overheid pas kans van slagen hebben wanneer het principe van subsidiariteit de ruimte krijgt. Zelfordening kan immers niet van bovenaf worden opgelegd, zoals ook Van den Brink betoogt. En hiërarchie kan niet bestaan zonder subsidiariteit.

Het principe van subsidiariteit zien we ook terug in de organisatievormen die worden gezocht voor nieuwe maatschappelijke initiatieven. Louis Houwen stelt de vraag in hoeverre de coöperatie als rechtsvorm kan bijdragen aan de kracht van nieuwe gemeenschappen, en hij zoekt een antwoord vanuit het perspectief van burgers, professionals en organisaties. Houwen concludeert dat de coöperatie als rechtsvorm een positieve bijdrage kan leveren aan het democratisch functioneren en de legitimatie van organisaties in de langdurige zorg, de volkshuisvesting of het onderwijs. Met het voorbeeld van de medisch specialisten wordt echter ook duidelijk dat coöperaties primair de belangen van een bepaalde beroepsgroep kunnen vertegenwoordigen. Houwen benadrukt dat pluriformiteit en belangendiversiteit binnen coöperatieve gemeenschappen niet problematisch zijn, als daar uiteindelijk maar collectief gedeelde waarden aan ten grondslag liggen.

Martien Kuitenbrouwer reflecteert op het thema ‘de kracht van de gemeenschap’ vanuit haar rol als bestuurder in Amsterdam-West in de afgelopen jaren. Zij beschrijft drie voorbeelden waarin de lokale overheid met burgers en andere belanghebbenden in overleg trad om problemen op te lossen in de eigen omgeving. Uit de casuïstiek komt naar voren dat zelforganisatie van burgers, lokale winkels en bedrijven in het verbeteren van de lokale voorzieningen en veiligheid ook een actieve rol van de overheid vereist. De participatiesamenleving betekent dus niet dat de overheid achterover kan leunen. Kuitenbrouwer schetst drie handelingsperspectieven voor de overheid en concludeert dat de overheid, zij het op een geheel andere manier dan voorheen, onmisbaar is in het overleg met andere partijen als hoeder van het algemeen belang.

Bert Mulder beziet in zijn bijdrage het fenomeen van krachtige gemeenschappen vanuit de informatietechnologie en sociale media. De maatschappelijke ontwikkelingen die hebben geleid tot een netwerksamenleving zorgen voor meer flexibele vormen van organisatie en samenwerking. We staan nog maar aan het begin van de ontwikkeling waarbij mensen steeds meer zelf en onderling (moeten) gaan regelen, bijvoorbeeld in zorg en educatie. De digitale systemen van overheden zijn hier nog niet op ingericht en vereisen een fundamentele aanpassing als zij de ‘participatiesamenleving’ willen ondersteunen.

Frank van den Heuvel en Simone de Wit beschouwen het thema ‘de kracht van de gemeenschap’ vanuit voorbeelden in de private sector. Zij laten zien dat niet alleen netwerken van burgers maar ook private bedrijven in hun maatschappelijke omgeving als ‘communities’ kunnen worden op gevat. Sommige bedrijven, zoals Philips of de Rabobank, hebben hierin al een lange traditie. Deze vereist echter voortdurend aanpassing om aan te sluiten bij gewijzigde behoeften in de samenleving. Private ondernemingen worden geconfronteerd met de behoefte aan maatwerk, persoonlijk contact en betrokkenheid van mensen. Van den Heuvel en De Wit concluderen dat het subsidiariteitsbeginsel een alternatief model biedt voor bedrijven die zijn doorgeschoten in schaalvergroting, regeldrang en centraal toezicht.

Deze bundel is opgedragen aan de inspirator ervan: Simone de Wit, overleden op 16 maart 2015

Klik hier om de bundel te bestellen. Leden van het Thijmgenootschap hebben de bundel al thuisgestuurd gekregen. Ook lid worden van het Thijmgenootschap?